Volledige Werken deel 17 gepresenteerd: De raadselachtige Multatuli en Hermans’ Max Havelaar-editie.
30 juni 2017

Op een feestelijke bijeenkomst in het Multatuli Museum is op 29 juni een nieuw deel van Hermans’ Volledige Werken gepresenteerd. Deel 17 van de Volledige Werken bevat Hermans’ biografie De raadselachtige Multatuli (1976) en zijn editie van Multatuli’s Max Havelaar. De editie en herziene versie van de biografie verschenen oorspronkelijk in het Multatuli-jaar 1987. Het nieuwe deel van de Volledige Werken besteedt uitgebreid aandacht aan Hermans’ levenslange fascinatie voor Multatuli en aan de totstandkoming van De raadselachtige Multatuli en de Max Havelaar-editie. Bij de presentatie spraken Olf Praamstra (Universiteit Leiden), die Hermans in 1995 interviewde bij de gereedkoming van Multatuli’s Volledige Werken, en onderzoeker Marc van Zoggel (Huygens ING). Hieronder zijn voordracht.

Hermans deel 17 (3)

‘Dames en heren,

Met trots presenteren wij vandaag Deel 17 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, met daarin de biografie De raadselachtige Multatuli en de door Hermans bezorgde editie van Multatuli’s Max Havelaar.
Het had niet veel gescheeld of De raadselachtige Multatuli had kortweg Multatuli geheten. Pas in een laat stadium van de productie voegde Hermans het adjectief toe; op een dummy van het boek ontbreekt het bijvoorbeeld nog.

Toch is er nauwelijks een passender titel te bedenken. ‘Raadselachtig’ is in de eerste plaats een echt Hermans-woord. In 1985 schreef Hermans voor De Bijenkorf het boekje De liefde tussen mens en kat, dat als openingszin heeft: ‘De liefde tussen mens en kat is de raadselachtigste soort liefde die ik ooit heb ondervonden.’ Deze zin liet hij volgen door een advies: ‘Nu is het aan te raden, vooral bij het klimmen der jaren, niet van alles en nog wat raadselachtig te gaan noemen. Want wie zou nog niet weten, dat we dit leven toch even dom verlaten als we het binnengekomen zijn?’[1]
Het advies was ongetwijfeld ook een zelfvermaning, want het woord ‘raadselachtig’ komt veelvuldig in de werken van Hermans voor, en dan opvallend genoeg vooral als ultieme typering van de woorden en daden van zowel zijn grootste voorbeelden als zijn ergste vijanden.
De Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein, over wie Hermans net als over Multatuli een boek schreef, is volgens Hermans beroemd geworden door ‘de geur van raadselachtigheid waarin zijn uitspraken staan’.[2] Het optreden van zijn kwelgeest Rob Tamsma aan de Groningse universiteit noemt Hermans in laatste instantie ‘totaal raadselachtig’, en Renate Rubinstein, Aad Nuis en Rudy Kousbroek, zijn tegenstanders in de Weinrebpolemieken, worden op verschillende momenten ieder voor zich van raadselachtig gedrag beticht.[3]
Het is alsof Hermans bij het doorgronden van zijn bewondering voor én zijn afkeer van bepaalde mensen, gedragingen, verschijnselen, steeds uiteindelijk op een niet te doordringen kern stuitte, waarna alleen het stempel van de raadselachtigheid nog soelaas bood.

_MG_1044

Hermans was een leven lang geïntrigeerd door Multatuli. Hij noemde hem ‘absoluut de meest dolle man die ooit een Nederlandse pen gehanteerd heeft, al is het moeilijk […] in zijn werken meer dan tien pagina’s achter elkaar te lezen, maar die lees je dan ook met plezier, of opperste verbazing.’
In de vele publicaties die hij aan zijn grote voorbeeld wijdde refereerde Hermans menigmaal aan het enigmatische van ‘De man van Lebak’. In 1950, in het essay ‘Pionier in het vacuum’, noemt hij het een groot ‘raadsel’ dat Douwes Dekker zichzelf dacht te kunnen rechtvaardigen door schrijver te worden.[4] In 1964, in het artikel ‘Hotel Multatuli’, schrijft Hermans dat er ondanks zijn openhartigheid altijd ‘iets raadselachtigs aan [Multatuli] kleeft, waardoor ik alles waarmee hij ooit in aanraking geweest is, zou willen hebben gezien’.[5] En in 1975, in een Parool-column, is sprake van ‘het unieke en zeer raadselachtige fenomeen dat Multatuli heet’.[6]

Deze column verscheen in januari 1975, en dat is ongeveer het moment waarop Hermans aan zijn biografie over Multatuli begon. Ruim twintig jaar eerder, in 1954, was hij al eens bijna Multatuli-biograaf geworden. Zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot vond Hermans de meest geschikte kandidaat om een levensbeschrijving van Multatuli te vervaardigen. Van Oorschot hoopte overheidssubsidie te verkrijgen, maar dit mislukte.
Pas in het najaar van 1974 deed zich een tweede kans voor, toen Hermans werd benaderd door Boelen Uitgevers, een nieuwe uitgeverij opgericht door Olivier Boelen, een fuifnummer dat een gigantische erfenis aan het verbrassen was maar ook investeerde in bijzondere literaire projecten. De dichter Hans Sleutelaar trad op als redacteur namens Boelen. De vraag was of Hermans een begeleidend essay wilde verzorgen bij een royaal fotoboek over Multatuli. 40 pagina’s tekst in een boek van om en nabij de 160 bladzijden. Hermans ging begin ’75 akkoord en al in september zou hij het manuscript inleveren. Van lieverlede gaf hij zijn eigen draai aan de opdracht, zodat in het uiteindelijke resultaat de verhoudingen zijn omgedraaid en de plaatjes nog hoogstens illustraties vormen bij de tekst, die de hoofdmoot vormt.

js343en468

Maar voor het zover was had Hermans nog een moeizame weg af te leggen vol moedwil en misverstand. Met name de samenwerking met het Multatuli Genootschap, dat de illustraties leverde en Hermans met raad en daad zou bijstaan, zorgde voor spanningen. Hermans vond dat hij bij het uitpluizen van de raadselen rond Multatuli werd tegengewerkt: ‘[Ik stuit] op een muur van prietpraat, geheimzinnigdoenerij, en onwil’, schreef hij aan een van zijn correspondenten. ‘Het Multatuli genootschap (waar ik overigens zelf ook lid van ben) bestaat uit een troepje personen die of lui zijn, of onbetrouwbaar of ronduit krankzinnig.’
In de biografie noemt Hermans het onder meer raadselachtig dat Dekker al op 23-jarige leeftijd in een fictief dagboek zijn eigen toekomst voorspelde, dat hij insubordinatie pleegde in Indië, maar ook zijn karakter, zijn liefdesleven en zijn ambities als schrijver zijn en blijven voor Hermans raadsels. Daarbij is het interessant dat Hermans een citaat van een van Multatuli’s uitgevers aanhaalt waarin deze Multatuli inpeperde dat onder diens hoogmoed en trots ‘twijfel aan eigen kracht’ en ‘twijfel aan eigen waarde’ schuilgaan. Hermans noemt dit ‘een aannemelijke samenvatting van Dekker’s veelvormige en grotendeels raadselachtige karakter’.

Die twijfel aan eigen kracht treffen we ook vaak bij Hermans aan. Bij ons onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de teksten die in de Volledige Werken-editie verschijnen komen we geregeld brieven van Hermans tegen waarin de auteur zijn reserves uitspreekt over de kwaliteit van het werk dat hij onder handen heeft, zo vaak dat die zelftwijfel haast een ritueel moet zijn geweest.
‘Ze zeggen dat het gedeelte van het biografietje dat ik af heb, lekker leest,’ schreef hij bijvoorbeeld aan Frans Janssen. ‘Dat is wel belangrijk, maar ik ben toch dag en nacht benauwd dat er onzin in komt, fout-weergegeven feiten bedoel ik. Het zou het beste wezen het door een Multatuli-kenner te laten doorlezen, maar ik ken er geen een die werkelijk kritisch kan lezen en zonder vooroordelen is. Ze zijn of lui, of halfgaar, of jaloers of ronduit gek.’

Hermans achtte zich categorisch ongeschikt voor het schrijven van een biografie: ‘Het blijft een zorgelijk werkje voor een fantast als ik toch in de eerste plaats ben. Zelfs een film die ik twee dagen geleden gezien heb, kan ik niet navertellen, zonder er op mijn manier wat anders van te maken.’
Maar wanneer de tekst af is vindt Hermans het ‘jammer’ dat hij ‘een punt achter het Multatuli-boek [moet] zetten. Er zijn ogenblikken waarop ik denk dat het nog tweemaal zo dik had kunnen worden, als ik het nog een jaar in huis had gehouden.’ En op de enthousiaste reactie van Olivier Boelen antwoordt Hermans dat deze hem sterkt in het vermoeden dat zijn boek ‘nogal aardig is uitgevallen’.
In de eerdergenoemde column van januari ’75, waarin Hermans zijn oordeel velt over de Multatuli-studie, kan ook een beginselverklaring voor zijn eigen boek worden gelezen: ‘De thans levenden en zij die na ons komen, mogen zich in gemoede afvragen wie nu eigenlijk het vergroten van hun kennis omtrent het unieke en zeer raadselachtige fenomeen dat Multatuli heet, het meest in de weg staan: zijn vijanden of zijn bewonderaars, die hem veelvuldig op de allerdomste manier verdedigd hebben, waarbij ze zich hun strategie lieten voorschrijven door de vijanden.’[7]

De raadselachtige Multatuli is dan ook zeker geen bewonderende biografie geworden. ‘Onbevooroordeeld en onpartijdig,’ oordeelde een recensent, en een andere boekbespreker prees dat Hermans zich niet had verlaagd tot het ‘oververhitte geschrijf’ van zijn voorgangers, die Multatuli óf fel hadden bestreden óf op een voetstuk hadden geplaatst.

_MG_1095

In 1987 verscheen een tweede, uitgebreide druk, die ook de basis vormt voor de editie in de Volledige Werken. Hermans vulde lacunes op, voegde bronvermeldingen toe en zorgde voor nieuw beeldmateriaal. De artikelen die hij sinds de verschijning van het boek over Multatuli had geschreven werden als bijlage opgenomen.  1987 was een Multatuli-jaar en Hermans had nog een goed idee, zo schreef hij al in ’85 aan Dolf Hamming van De Bezige Bij: ‘Er zullen dan een heleboel Max Havelaar-uitgaven komen, denk ik, maar aan het volgende heeft geloof ik niemand gedacht: // Een offset-reprint van de vijfde druk (dit is de laatste door Multatuli zelf gecorrigeerd, met inleiding en kritisch commentaar van ondergetekende). / Als je zorgt dat het een paar weken eerder uit is dan de andere die er wel zullen komen, veeg je ze allemaal van de markt! // Als je het formaat net zo groot maakt als de biografie, kun je ze samen in een doosje verkopen.’

Samen in een doosje, dat is wat er gebeurde. De herziene biografie en de becommentarieerde Havelaar werden in een kartonnen cassette uitgebracht. Hermans had niet de illusie nu het raadsel Multatuli te hebben opgelost. Het motto dat aan de biografie voorafgaat spreekt boekdelen: ‘Hij die zo uit het hart schrijft, kan nooit geheel slecht zijn; (…) Een raadsel is en blijft hij.’ En daarmee is Hermans in wezen altijd trouw gebleven aan wat hij al in 1950 in zijn eerste publicatie over Multatuli schreef: ‘Beter dan met opwinding kan men Multatuli benaderen met een diepe verbazing’.[8]

Dank u wel.’


[1] Willem Frederik Hermans, Volledige Werken, deel 14 (2011), p. 13.
[2] Hermans, Volledige Werken, deel 15 (2012), p. 165.
[3] Hermans, Volledige Werken, deel 12 (2006), p. 690 en deel 11 (2008), p. 730 en 740.
[4] W.F. Hermans, ‘Pionier in het vacuum’, in: Over Multatuli (1954), p. 29.
[5] Hermans, Volledige Werken, deel 11 (2008), p. 47.
[6] Hermans, Volledige Werken, deel 12 (2006), p. 154.
[7] Hermans, Volledige Werken, deel 12 (2006), p. 154.
[8] Hermans, ‘Pionier in het vacuum’, p. 26.

 

Marc van Zoggel (Onderzoeker VW WFH) – Huygens ING. Voordracht bij de presentatie van Deel 17 van de Volledige Werken, op 29 juni 2017 georganiseerd in het Multatuli Museum, in samenwerking met het Multatuli Genootschap, het Willem Frederik Hermans instituut en Uitgeverij De Bezige Bij. De citaten zonder noot zijn terug te vinden in de Commentaar bij dit deel.


Naar boven