Nieuws

Speciaal Multatuli-jaarboek W.F. Hermans en Multatuli verschenen
29 januari 2018

Naar aanleiding van de publicatie van deel zeventien van de Volledige Werken (zomer 2017), verscheen onlangs een Extra jaarboek Multatuli, W.F. Hermans en Multatuli. Het jaarboek is geheel en al gewijd aan Hermans’ fascinatie voor Multatuli.

W.F. Hermans en Multatuli wordt ingeleid door Dik van der Meulen en Cyril van den Hoogen, die een overzicht schetsen van Hermans’ bemoeienis met Multatuli. Peter Kegel schrijft over de Multatuliana in Hermans’ privébibliotheek, Marc van Zoggel over de totstandkoming van De raadselachtige Multatuli en de moeilijkheden die Hermans toen uiteraard had met de Multatulianen, en Tom Phijffer memoreert een bijzondere samenkomst in de regio Lebak in 1971. Daan Rutten exploreert de manieren waarop beide schrijvers de werkelijkheid wilden kennen vanuit filosofisch perspectief.
jaarboek_multatuli

Verder Maurits Verhoeff over een bijzondere vondst in het Multatuli-archief, Annelies Dirkse en Klaartje Groot over Hermans & Multatuli in de media en Klaartje Groot over de vriendelijke W.F. Hermans. Op het voorplat van het jaarboek staat een cartoon van Siegfried Woldhek, met Hermans die Multatuli verdedigt tegen zijn tegenstanders.

U kunt het extra jaarboek bestellen bij Uitgeverij Verloren.

(tekst (Klaartje Groot) ontleend aan informatie op website Multatuli Museum)

 

Volledige Werken Deel 8. Verhalen en novellen verschenen. ‘Het eindeloze medelijden van Willem Frederik Hermans’
24 november 2017

Woensdagmiddag 22 november is Willem Frederik Hermans, Volledige Werken Deel 8. Verhalen en Novellen gepresenteerd bij de Amsterdamse Athenaeum Boekhandel. Dit tweede en laatste deel van Hermans’ verhalen bevat de bundels Een wonderkind of een total loss (1967), De laatste roker (1991), Vier novellen (1993) en het zelfstandig verschenen korte verhaal De onversleten wandelaar (1994). In 2007 verscheen al Volledige Werken Deel 7, het eerste deel van Hermans’ verhalen en novellen. Bij de presentatie sprak Nienke Beeking namens Uitgeverij De Bezige Bij, Huygens-onderzoeker Peter Kegel vertelde over ‘Het eindeloze medelijden van Willem Frederik Hermans’,  en Jente Posthuma las haar verhaal ‘Hermans de dwergschnauzer’ voor, eerder gepubliceerd in de Revisor-uitgave ‘De onbekende Hermans’. Hieronder de voordracht van Peter Kegel.

VW8

 

Het eindeloze medelijden van Willem Frederik Hermans

 

Het stofomslag van het tweede en laatste deel met Hermans’ Verhalen en novellen, het boek dat we hier vanmiddag feestelijk presenteren, heeft op de binnenzijde twee citaten, beide afkomstig uit de canonieke Hermansbundel Een wonderkind of een total loss (1967). Dat tweede citaat kent u, want dat hebben we gebruikt in de uitnodiging voor deze presentatie. Voor wie die uitnodiging niet bij de hand heeft, citeer ik de tekst nog even:

‘Alle succesvolle auteurs hebben hun publiek gevleid; niet hun slechte humeur op hun lezers losgelaten zoals ik. – Wat niet wegneemt dat de mensen me van jongs af aan ook niet mochten als ik goedgehumeurd was.’

Dat goede humeur hield Hermans in het algemeen goed verborgen, en al helemaal in het verhaal waaruit het citaat afkomstig is, ‘Het grote medelijden’. Daarvan zijn het de voorlaatste zinnen, die gevolgd worden door nog maar één enkele zin, een die tot de meest beroemde uit het oeuvre van Hermans behoort: ‘Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie.’ En ook ‘Het grote medelijden’ zelf, een van de meest expliciet autobiografische Richard Simmillon-verhalen, is beroemd, beter gezegd: berucht. Het leidde tot heftige reacties, vanwege de al te venijnige afrekening met Menno ter Braak alias Otto Verbeek, over wie Hermans schreef: ‘Hij stierf als een Romein… maar in werkelijkheid braakte hij luminal als een lerares die een week over tijd is en geen raad meer weet.’ Deze en andere passages uit de in 1962 in Randstad gepubliceerde versie van ‘Het grote medelijden’ gingen een aantal critici te ver, veel te ver. Voor Kees Fens waren het ‘schennende pagina’s’: Hermans pleegde ‘schennis op een dode op wie hij jaloers is en die hij blijkbaar vreest’. Waarop Randstad-redacteur Simon Vinkenoog Hermans berichtte: ‘Zoals je ondertussen misschien gemerkt hebt, staan Kees Fens in De Tijd en Fluim Stroman in het Handelsblad ten opzichte van jouw verhaal minder open dan de redactie van Randstad. […] Het taboe rond de dood van Verbeek blijkt een stevig vastgeroest taboe te zijn…’.

Dat taboe bracht Hermans in ‘Het grote medelijden’ ter sprake in de context van een ‘pseudo-autobiografie’, geschreven in de traditie van de dagboek- en bekentenisliteratuur, het genre dat Hermans op de openingspagina’s van de novelle expliciet tot uitgangspunt neemt. Vanuit dat kader toont het verhaal het volstrekte isolement, de ‘afschuw, angst en agressie’ die de kern uitmaken van het bestaan van Richard Simmillion. Het is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met het ‘kosmische isolement’ en de ‘volstrekte nietigheid’ van Alfred Issendorf, de romanheld uit het in dezelfde periode geschreven Nooit meer slapen,[1] maar dan zonder de in de roman geruststellende genreconventies van de queeste en tragikomedie. En dat kwam in 1962 hard aan.

*

Het grote medelijden, agressief of niet agressief, melodramatisch of tragikomisch, verhuld of expliciet, kenmerkt het werk van Hermans, en zeker zijn verhalen en novellen. Dat was al zo in Moedwil en misverstand, de bundel uit 1948 die niet alleen in de titel en navenante thematiek, maar ook in dat medelijden exemplarisch was voor het grote WFH-oeuvre dat toen nog moest volgen. In ‘Samen naar Oostende’ bijvoorbeeld, dat in een droomachtige sfeer verhaalt van een lange en vergeefse tocht van twee aanvankelijk naamloze personages, vanuit nachtelijk Amsterdam naar de Vlaamse kustplaats, thuishaven van James Ensor en Léon Spilliaert. De tocht eindigt in het onbestemde, vanwege een raadselachtige ziekte waaraan het meisje lijkt, een geheim dat ‘zijn medelijden met haar van ongekende grootte’ maakt. En in ‘Elektrotherapie’, waarin Hermans experimenteerde met de conventies van het literaire naturalisme,[2] is het personage Ronald, in de schemerwereld tussen lagere school en gymnasium, wanhopig op zoek naar verlossing uit zijn existentiële eenzaamheid, een verlossing die hij hoopt te vinden op zijn toekomstige gymnasium, liefst in de vorm van vriendschap, maar ‘desnoods alleen maar medelijden’. Daarbij kan zijn moeder, die hem immers pianolessen heeft toegestaan, wellicht hulp bieden: ‘Hij overlegde wel eens bij zichzelf of hij niet eens op een dag een beroep op haar steun, althans haar medelijden kon doen.’

Ook in de andere bundels van Volledige Werken Deel 7 speelt Hermans het medelijden uit. In ‘Paranoia’, het titelverhaal uit de gelijknamige bundel uit 1953, geldt dat bijvoorbeeld voor de oorlogswaanzinnige Cleever, maar ook voor de in het verhaal ‘Glas’ verpleegde ‘arme zieken’ in het klooster van Sevilla, waar de verpleegsters ‘veel medelijden’ mee hebben; ‘daar mankeert het niet aan’. En in Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen heeft Laura in ‘Laura en de grammofoonplaat’ medelijden met het gefnuikte genie Oom Jacob, een zoveelste Hermansiaanse manifestatie van de gek en onheilsprofeet, en doet de blinde fotograaf uit het gelijknamige verhaal een – vergeefs – beroep op het medelijden van de gedesinteresseerde dagbladjournalist die een sensatiestuk wil publiceren, met voorbijgaan aan de daadwerkelijke gebeurtenissen, die overigens nauwelijks te achterhalen zijn.

*

De onachterhaalbare werkelijkheid in de wereld van moedwil en misverstand, en dus ook die van het medelijden, beschrijft Hermans in al die verhalen doelbewust in steeds weer een andere verteltechniek, conform de steeds weer andere wetten van het genre waarin hij het verhaal wilde inpassen. Elk verhaal was een experiment, een experiment met de literaire traditie, en binnen de steeds verschillende literaire genres ventte Hermans zijn grote thema’s en terugkerende, obsederende motieven uit. Veel daarvan was ontleend aan de autobiografie, maar nog veel meer niet, en de inzet was steeds de literatuur. Dat wist Hermans al in september 1944, toen hij een van zijn eerste brieven aan Bordewijk schreef:

‘Ik poog tenminste in ieder nieuw verhaal dat ik begin iets anders te geven, een andere techniek toe te passen. Dat mijn schrifturen hierdoor het karakter van experimenten krijgen, is mij duidelijk. Eveneens dat dit hinderlijk voor den lezer kan zijn.’

Hinderlijk was het experimenteren ook voor Hermans zelf. Veel van zijn ambities strandden. Sommige verhalen en romans kwamen niet verder dan een titel of heel beknopte synopsis, andere ambitieus aangevlogen projecten liepen, soms heel plotseling, vast, en al ver gevorderde romans en verhalen leidden maar niet tot tevredenheid, en moesten worden omgewerkt. Kort voor publicatie, waar de uitgever niet altijd blij mee was, of nog ver na eerste publicatie, waar de uitgever evenmin gelukkig van werd. Maar met uitgevers had Hermans nooit medelijden.

In de twee delen Verhalen en novellen zijn verschillende van die omgewerkte projecten te vinden. ‘Een veelbelovende jongeman’ natuurlijk (in Deel 7), dat ooit onderdeel had moeten zijn van een roman, maar ook als verhaal was het, zoals Hermans berichtte aan Gerard Reve, ‘niet minder dan zes keer geheel overgeschreven’. Daaraan nauw verwant is het in eerste instantie ook onvoltooid gebleven autobiografische fragment ‘Afscheid van Canada’, dat Hermans schreef in het midden van de jaren vijftig, om het uiteindelijk, bijna veertig jaar later, op te nemen in De laatste roker (1991). Het is daarin het laatste verhaal, en ook met zichzelf heeft Hermans allerminst medelijden. ‘Afscheid van Canada’ is een zelfgericht, een genadeloos verslag van een overzeese mislukking.

Van geheel andere aard, maar ook opgenomen in De laatste roker, en eveneens afkomstig uit een gestrand romanproject is het surrealistische ‘Cascaden en riolen’, dat al uit de oorlogsjaren stamde. In 1986 verscheen het voor het eerst: ‘Het is heel moeilijk voor mij om stukken weg te gooien’, meldde Hermans aan Humo, ‘enkele tijd geleden heb ik een oud verhaal – daterende uit 1943 – teruggevonden dat heet: Cascaden en riolen. Bij het nieuwe jaar is het uitgedeeld door de Bezige Bij, als geschenk voor de vrienden. Dat verhaal heb ik nooit voltooid, maar ik heb er wel drie keer nogal sterk in veranderd. En ik kan nu nog zien, in bepaalde versies van het manuscript, dat ik bepaalde stukken heb geschrapt waarvan ik mij afvraag of ik die niet beter had laten staan.’

*

Die voortdurende twijfel kenmerkt het schrijverschap van Hermans, en ook daarvan was hij zich al vroeg bewust. Zo schreef hij voorjaar 1953 aan Van Oorschot: ‘Schrij­ven is een onophoudelijk op voorafgegane gedachten terugkomen. Wil er enige samenhang blijven, dan is het nodig in volgorde te pu­bliceren. In de praktijk komt daar weinig van terecht.’[3]

Spijt is er, kortom, altijd. En dat zou ook, en fors, gelden voor de autobiografische verhalen die Hermans in Een Wonderkind of een total loss publiceerde. Tot diep in de jaren tachtig overwoog hij of hij zijn Richard Simmillion-verhalen uit die bundel, aangevuld met onder andere ‘Afscheid van Canada’, bijeen zou brengen in een nieuw boek met louter autobiografische teksten.

Tot die Richard-verhalen behoort uiteraard het openingsverhaal van Een wonderkind of een total-loss, ‘De elektriseermachine van Wimshurst’, verwant aan het eerdere ‘Elektrotherapie’. Het is een ongekend introspectief ‘ik’-verhaal, dicht op de eigen biografie geschreven, met de nuance dat Hermans zelf ook wist dat hij ‘constitutioneel ongeschikt was’ om een autobiografie te schrijven. Dat Wimshurst-verhaal is een niets ontziend verslag van ambitie en mislukking, vol observaties over de onthutsende domheid van anderen, over schoolgenootjes die plantjes in zand willen laten groeien en wormen doorknippen (‘die groeien vanzelf weer aan elkaar’). Het is ook het gestileerde, fijn geslepen verhaal over een personage met de allesbepalende, messiaanse dadendrang van een uitverkorene, een dadendrang die uitmondt in een tot mislukken gedoemd experiment met de elektriseermachine van Wimshurst. Dat verhaal eindigt, dat dan weer wel, met zelfmedelijden, en zelfspot: ‘Ik weet nog niet dat ik nooit in de gelegenheid zal komen mij op een lijn te stellen met Edison of Ford. / Ik weet evenmin dat ik, veertig jaar later, mijzelf zoals ik toen geweest ben, deerniswekkend vinden zal, maar toch ook wel aanbiddelijk.’

_MG_1685

*

Al in 1946 formuleerde Hermans, in een recensie in Criterium, de kaders waaraan een novelle moest voldoen: ‘Een novelle is een wapen van klein kaliber; het is daarom in de eerste plaats van belang dat zij doeltreffend is. Dit dient zij te bereiken door originaliteit en compactheid; zij moet recht op haar doel aan kunnen stevenen, kan zich desnoods ook omwegen permitteeren, maar moet in ieder geval snel zijn, niet gehinderd worden door ballast. De novelle is klein; zij moet de aandacht op zich vestigen door intensiteit, als een onzichtbaar bloempje door een sterke geur. Oorspronkelijkheid, die elk literair product siert, is voor de novelle levensvoorwaarde.’

Die compactheid, gecombineerd met een ijzersterke constructie, streefde Hermans in het bijzonder na bij het schrijven van enkele novellen uit de jaren tachtig: Homme’s hoest, Filip’s Sonatine, Geyerstein’s dynamiek en De zegelring, uitgebeende verhalen, kort na elkaar uitgegeven in dunne bandjes met uniform ontwerp en typografie, teksten waaraan Hermans lang bleef schaven: ‘Ik heb het intussen wel 1000 maal herlezen, schat ik’, meldde hij aan Frans Janssen, over De zegelring: ‘Stylistisch is het buitengewoon correct, zelfs voor mijn doen.’

Drie van die vier teksten zag Hermans als verhalen over wonderkinderen, en ook die zouden bij elkaar gecombineerd moeten worden tot een nieuw boek, samen met de eerdere Wonderkind-verhalen, maar dan de zonder de autobiografische teksten… Schrijven, én het arrangeren van de verhalenbundels, het bleef een onophoudelijk op voorafgegane gedachten terugkomen. De nieuwe Wonderkind-verzameling kwam er uiteindelijk niet, onder andere omdat Hermans maar niet kon beslissen wat hij aan moest vangen met het ‘onversneden autobiografische’ ‘Wimshurst’, dat tegelijkertijd het prototype van het wonderkind-verhaal was.

Aan de voortdurende plannenmakerij kwam een eind toen Hermans in het voorjaar van 1990 besloot tot de uitgave van de verzamelbundel De laatste roker, alhoewel hij toch ook weer lang over de exacte samenstelling van die bundel twijfelde. Het boek verscheen eind augustus 1991, kort voor zijn zeventigste verjaardag, met daarin ook enkele van de autobiografische verhalen, waaronder het Richard-verhaal ‘Afscheid van Canada’. Daarmee was de grote autobiografische verzamelbundel definitief van de baan, en bleef de samenstelling van Een wonderkind of een total loss ongewijzigd. Een herdruk daarvan verscheen in 1993, min of meer gelijk met een heruitgave van de vier dunne boekjes uit de jaren tachtig, nu in een daarmee vergelijkbare vormgeving samengebracht in Vier novellen.

*

Bij alle verschillende literaire technieken die Hermans in zijn verhalen toepaste, bij alle twijfel over de uiteindelijk gepubliceerde versies én die over de juiste bundelsamenstellingen, was er desalniettemin ten minste één constante factor, die in alle verhalen tot uitdrukking komt: het grote, eindeloze medelijden, waarover Hermans, ook in de jaren tachtig, in een tv-interview zou melden:

‘Er zijn miljarden mensen op de wereld waar je medelijden mee moet hebben – nog afgezien van alle honden, katten, varkens en koeien die afschuwelijk aan hun einde komen, daar kun je allemaal medelijden mee hebben. Medelijden is eindeloos. Ik weet niet of medelijden mijn passie is, maar ik geloof wel dat die passie bij het klimmen der jaren groter is geworden.’[4]

Ook dat wist Hermans dus niet zeker. Maar nu alle verhalenbundels van Hermans in de Volledige Werken bijeengebracht zijn, kan de lezer zelf een oordeel vellen over dat eindeloze en wellicht steeds grotere medelijden.

 

Peter Kegel (projectleider/onderzoeker VW WFH) – Huygens ING. Voordracht bij Athenaeum Boekhandel (Amsterdam), georganiseerd in samenwerking met Uitgeverij De Bezige Bij en het Willem Frederik Hermans instituut, ter gelegenheid van de presentatie van Volledige Werken Deel 8, Verhalen en novellen. Alle citaten zonder noot terug te vinden in de teksten en commentaren van de Delen 7 en 8 van de Volledige Werken


[1] De citaten uit Nooit meer slapen in Volledige Werken Deel 3 respectievelijk op p. 418 en p. 652.
[2] Zie hiervoor ook Gerard Raat, Literatuur uit noodzaak. Willem Frederik Hermans: Facetten van een schrijverschap. Amsterdam 2010, p. 130-134.
[3] Hermans aan Geert van Oorschot, 6 april 1953, in: Willem Fre­derik Hermans, Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar. Brieven aan Geert van Oorschot. Ed. Nop Maas. Amsterdam 2004, p. 85.
[4] Geciteerd naar de compilatie met interviewuitspraken van Hermans op https://npofocus.nl/artikel/7657/wie-was-wf-hermans (geraadpleegd 22-11-2017)

 

 

Volledige Werken Deel 17 gepresenteerd: De raadselachtige Multatuli en Hermans’ Max Havelaar-editie.
30 juni 2017

Op een feestelijke bijeenkomst in het Multatuli Huis is op 29 juni een nieuw deel van Hermans’ Volledige Werken gepresenteerd. Deel 17 van de Volledige Werken bevat Hermans’ biografie De raadselachtige Multatuli (1976) en zijn editie van Multatuli’s Max Havelaar. De editie en herziene versie van de biografie verschenen oorspronkelijk in het Multatuli-jaar 1987. Het nieuwe deel van de Volledige Werken besteedt uitgebreid aandacht aan Hermans’ levenslange fascinatie voor Multatuli en aan de totstandkoming van De raadselachtige Multatuli en de Max Havelaar-editie. Bij de presentatie spraken Olf Praamstra (Universiteit Leiden), die Hermans in 1995 interviewde bij de gereedkoming van Multatuli’s Volledige Werken, en onderzoeker Marc van Zoggel (Huygens ING). Hieronder zijn voordracht.

Hermans deel 17 (3)

‘Dames en heren,

Met trots presenteren wij vandaag Deel 17 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, met daarin de biografie De raadselachtige Multatuli en de door Hermans bezorgde editie van Multatuli’s Max Havelaar.
Het had niet veel gescheeld of De raadselachtige Multatuli had kortweg Multatuli geheten. Pas in een laat stadium van de productie voegde Hermans het adjectief toe; op een dummy van het boek ontbreekt het bijvoorbeeld nog.

Toch is er nauwelijks een passender titel te bedenken. ‘Raadselachtig’ is in de eerste plaats een echt Hermans-woord. In 1985 schreef Hermans voor De Bijenkorf het boekje De liefde tussen mens en kat, dat als openingszin heeft: ‘De liefde tussen mens en kat is de raadselachtigste soort liefde die ik ooit heb ondervonden.’ Deze zin liet hij volgen door een advies: ‘Nu is het aan te raden, vooral bij het klimmen der jaren, niet van alles en nog wat raadselachtig te gaan noemen. Want wie zou nog niet weten, dat we dit leven toch even dom verlaten als we het binnengekomen zijn?’[1]
Het advies was ongetwijfeld ook een zelfvermaning, want het woord ‘raadselachtig’ komt veelvuldig in de werken van Hermans voor, en dan opvallend genoeg vooral als ultieme typering van de woorden en daden van zowel zijn grootste voorbeelden als zijn ergste vijanden.
De Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein, over wie Hermans net als over Multatuli een boek schreef, is volgens Hermans beroemd geworden door ‘de geur van raadselachtigheid waarin zijn uitspraken staan’.[2] Het optreden van zijn kwelgeest Rob Tamsma aan de Groningse universiteit noemt Hermans in laatste instantie ‘totaal raadselachtig’, en Renate Rubinstein, Aad Nuis en Rudy Kousbroek, zijn tegenstanders in de Weinrebpolemieken, worden op verschillende momenten ieder voor zich van raadselachtig gedrag beticht.[3]
Het is alsof Hermans bij het doorgronden van zijn bewondering voor én zijn afkeer van bepaalde mensen, gedragingen, verschijnselen, steeds uiteindelijk op een niet te doordringen kern stuitte, waarna alleen het stempel van de raadselachtigheid nog soelaas bood.

_MG_1044

Hermans was een leven lang geïntrigeerd door Multatuli. Hij noemde hem ‘absoluut de meest dolle man die ooit een Nederlandse pen gehanteerd heeft, al is het moeilijk […] in zijn werken meer dan tien pagina’s achter elkaar te lezen, maar die lees je dan ook met plezier, of opperste verbazing.’
In de vele publicaties die hij aan zijn grote voorbeeld wijdde refereerde Hermans menigmaal aan het enigmatische van ‘De man van Lebak’. In 1950, in het essay ‘Pionier in het vacuum’, noemt hij het een groot ‘raadsel’ dat Douwes Dekker zichzelf dacht te kunnen rechtvaardigen door schrijver te worden.[4] In 1964, in het artikel ‘Hotel Multatuli’, schrijft Hermans dat er ondanks zijn openhartigheid altijd ‘iets raadselachtigs aan [Multatuli] kleeft, waardoor ik alles waarmee hij ooit in aanraking geweest is, zou willen hebben gezien’.[5] En in 1975, in een Parool-column, is sprake van ‘het unieke en zeer raadselachtige fenomeen dat Multatuli heet’.[6]

Deze column verscheen in januari 1975, en dat is ongeveer het moment waarop Hermans aan zijn biografie over Multatuli begon. Ruim twintig jaar eerder, in 1954, was hij al eens bijna Multatuli-biograaf geworden. Zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot vond Hermans de meest geschikte kandidaat om een levensbeschrijving van Multatuli te vervaardigen. Van Oorschot hoopte overheidssubsidie te verkrijgen, maar dit mislukte.
Pas in het najaar van 1974 deed zich een tweede kans voor, toen Hermans werd benaderd door Boelen Uitgevers, een nieuwe uitgeverij opgericht door Olivier Boelen, een fuifnummer dat een gigantische erfenis aan het verbrassen was maar ook investeerde in bijzondere literaire projecten. De dichter Hans Sleutelaar trad op als redacteur namens Boelen. De vraag was of Hermans een begeleidend essay wilde verzorgen bij een royaal fotoboek over Multatuli. 40 pagina’s tekst in een boek van om en nabij de 160 bladzijden. Hermans ging begin ’75 akkoord en al in september zou hij het manuscript inleveren. Van lieverlede gaf hij zijn eigen draai aan de opdracht, zodat in het uiteindelijke resultaat de verhoudingen zijn omgedraaid en de plaatjes nog hoogstens illustraties vormen bij de tekst, die de hoofdmoot vormt.

js343en468

Maar voor het zover was had Hermans nog een moeizame weg af te leggen vol moedwil en misverstand. Met name de samenwerking met het Multatuli Genootschap, dat de illustraties leverde en Hermans met raad en daad zou bijstaan, zorgde voor spanningen. Hermans vond dat hij bij het uitpluizen van de raadselen rond Multatuli werd tegengewerkt: ‘[Ik stuit] op een muur van prietpraat, geheimzinnigdoenerij, en onwil’, schreef hij aan een van zijn correspondenten. ‘Het Multatuli genootschap (waar ik overigens zelf ook lid van ben) bestaat uit een troepje personen die of lui zijn, of onbetrouwbaar of ronduit krankzinnig.’
In de biografie noemt Hermans het onder meer raadselachtig dat Dekker al op 23-jarige leeftijd in een fictief dagboek zijn eigen toekomst voorspelde, dat hij insubordinatie pleegde in Indië, maar ook zijn karakter, zijn liefdesleven en zijn ambities als schrijver zijn en blijven voor Hermans raadsels. Daarbij is het interessant dat Hermans een citaat van een van Multatuli’s uitgevers aanhaalt waarin deze Multatuli inpeperde dat onder diens hoogmoed en trots ‘twijfel aan eigen kracht’ en ‘twijfel aan eigen waarde’ schuilgaan. Hermans noemt dit ‘een aannemelijke samenvatting van Dekker’s veelvormige en grotendeels raadselachtige karakter’.

Die twijfel aan eigen kracht treffen we ook vaak bij Hermans aan. Bij ons onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de teksten die in de Volledige Werken-editie verschijnen komen we geregeld brieven van Hermans tegen waarin de auteur zijn reserves uitspreekt over de kwaliteit van het werk dat hij onder handen heeft, zo vaak dat die zelftwijfel haast een ritueel moet zijn geweest.
‘Ze zeggen dat het gedeelte van het biografietje dat ik af heb, lekker leest,’ schreef hij bijvoorbeeld aan Frans Janssen. ‘Dat is wel belangrijk, maar ik ben toch dag en nacht benauwd dat er onzin in komt, fout-weergegeven feiten bedoel ik. Het zou het beste wezen het door een Multatuli-kenner te laten doorlezen, maar ik ken er geen een die werkelijk kritisch kan lezen en zonder vooroordelen is. Ze zijn of lui, of halfgaar, of jaloers of ronduit gek.’

Hermans achtte zich categorisch ongeschikt voor het schrijven van een biografie: ‘Het blijft een zorgelijk werkje voor een fantast als ik toch in de eerste plaats ben. Zelfs een film die ik twee dagen geleden gezien heb, kan ik niet navertellen, zonder er op mijn manier wat anders van te maken.’
Maar wanneer de tekst af is vindt Hermans het ‘jammer’ dat hij ‘een punt achter het Multatuli-boek [moet] zetten. Er zijn ogenblikken waarop ik denk dat het nog tweemaal zo dik had kunnen worden, als ik het nog een jaar in huis had gehouden.’ En op de enthousiaste reactie van Olivier Boelen antwoordt Hermans dat deze hem sterkt in het vermoeden dat zijn boek ‘nogal aardig is uitgevallen’.
In de eerdergenoemde column van januari ’75, waarin Hermans zijn oordeel velt over de Multatuli-studie, kan ook een beginselverklaring voor zijn eigen boek worden gelezen: ‘De thans levenden en zij die na ons komen, mogen zich in gemoede afvragen wie nu eigenlijk het vergroten van hun kennis omtrent het unieke en zeer raadselachtige fenomeen dat Multatuli heet, het meest in de weg staan: zijn vijanden of zijn bewonderaars, die hem veelvuldig op de allerdomste manier verdedigd hebben, waarbij ze zich hun strategie lieten voorschrijven door de vijanden.’[7]

De raadselachtige Multatuli is dan ook zeker geen bewonderende biografie geworden. ‘Onbevooroordeeld en onpartijdig,’ oordeelde een recensent, en een andere boekbespreker prees dat Hermans zich niet had verlaagd tot het ‘oververhitte geschrijf’ van zijn voorgangers, die Multatuli óf fel hadden bestreden óf op een voetstuk hadden geplaatst.

_MG_1095

In 1987 verscheen een tweede, uitgebreide druk, die ook de basis vormt voor de editie in de Volledige Werken. Hermans vulde lacunes op, voegde bronvermeldingen toe en zorgde voor nieuw beeldmateriaal. De artikelen die hij sinds de verschijning van het boek over Multatuli had geschreven werden als bijlage opgenomen.  1987 was een Multatuli-jaar en Hermans had nog een goed idee, zo schreef hij al in ’85 aan Dolf Hamming van De Bezige Bij: ‘Er zullen dan een heleboel Max Havelaar-uitgaven komen, denk ik, maar aan het volgende heeft geloof ik niemand gedacht: // Een offset-reprint van de vijfde druk (dit is de laatste door Multatuli zelf gecorrigeerd, met inleiding en kritisch commentaar van ondergetekende). / Als je zorgt dat het een paar weken eerder uit is dan de andere die er wel zullen komen, veeg je ze allemaal van de markt! // Als je het formaat net zo groot maakt als de biografie, kun je ze samen in een doosje verkopen.’

Samen in een doosje, dat is wat er gebeurde. De herziene biografie en de becommentarieerde Havelaar werden in een kartonnen cassette uitgebracht. Hermans had niet de illusie nu het raadsel Multatuli te hebben opgelost. Het motto dat aan de biografie voorafgaat spreekt boekdelen: ‘Hij die zo uit het hart schrijft, kan nooit geheel slecht zijn; (…) Een raadsel is en blijft hij.’ En daarmee is Hermans in wezen altijd trouw gebleven aan wat hij al in 1950 in zijn eerste publicatie over Multatuli schreef: ‘Beter dan met opwinding kan men Multatuli benaderen met een diepe verbazing’.[8]

Dank u wel.’


[1] Willem Frederik Hermans, Volledige Werken, deel 14 (2011), p. 13.
[2] Hermans, Volledige Werken, deel 15 (2012), p. 165.
[3] Hermans, Volledige Werken, deel 12 (2006), p. 690 en deel 11 (2008), p. 730 en 740.
[4] W.F. Hermans, ‘Pionier in het vacuum’, in: Over Multatuli (1954), p. 29.
[5] Hermans, Volledige Werken, deel 11 (2008), p. 47.
[6] Hermans, Volledige Werken, deel 12 (2006), p. 154.
[7] Hermans, Volledige Werken, deel 12 (2006), p. 154.
[8] Hermans, ‘Pionier in het vacuum’, p. 26.

 

Marc van Zoggel (Onderzoeker VW WFH) – Huygens ING. Voordracht bij de presentatie van Deel 17 van de Volledige Werken, op 29 juni 2017 georganiseerd in het Multatuli Museum, in samenwerking met het Multatuli Genootschap, het Willem Frederik Hermans instituut en Uitgeverij De Bezige Bij. De citaten zonder noot zijn terug te vinden in de Commentaar bij dit deel.

Daan Rutten ontvangt OSL-Award voor proefschrift De ernst van het spel
10 april 2017

Bij de tweede Onderzoeksdag van de Onderzoekschool Literatuurwetenschap kreeg Daan Rutten op 7 april 2017 de OSL-Award 2016 overhandigd voor zijn  proefschrift De ernst van het spel. Willem Frederik Hermans en de ethiek van de persoonlijke mythologie. In december 2016 promoveerde Volledige Werken-onderzoeker Daan Rutten met dit proefschrift over Willem Frederik Hermans aan de Universiteit Utrecht. Een handelsuitgave van De ernst van het spel verscheen bij uitgeverij Verloren.

klein plaatje Ernst van Spel

In De ernst van het spel probeert Rutten misschien wel een van de grootste raadsels in Hermans’ schrijverschap te ontcijferen, namelijk dat van zijn literaire engagement. Hoe kon Hermans zich er als cynische modernist en mensenhater toe zetten om de maatschappij voortdurend te bekritiseren en te beoordelen? Was dit simpelweg in tegenspraak met zijn nihilisme, of verraadt het toch een ethisch principe? Wanneer we Hermans lezen als een spelfilosoof in de traditie van Johan Huizinga, zij het dan wel uitgebreid met Freud en Lacan, meent Rutten dat laatste te kunnen laten zien: juist omdat Hermans de wereld zag als een spel zonder enige grondslag voor een substantiële ethiek of ideologie, was hij op een bepaalde manier uitermate ethisch.

Volgens Rutten verandert dit inzicht niet alleen het negatieve beeld van Hermans’ schrijverschap in het algemeen, maar werpt het ook een nieuw licht op beroemde verhalen als ‘Het behouden huis’, ‘Glas’, ‘De blinde fotograaf’, Ik heb altijd gelijk en de passage over de ‘geschiedenis van de mens’ in Nooit meer slapen.

Voordracht ‘Een ‘‘monumentale particuliere editie’’ en de laatste romans in Volledige Werken WFH’
22 maart 2016

‘Het is vreemd, maar ik heb het idee dat iedereen vooral nieuwsgierig is naar Mandarijnen op zwavelzuur. Vreemd, omdat vandaag het afsluitende Deel 6 van de romans van Hermans verschijnt, toch het meest imposante deel van zijn oeuvre. (more…)

Deel 6 en deel 16 Volledige Werken verschenen
17 maart 2016

Vandaag verschijnen twee nieuwe en bijzondere delen van de Volledige Werken Willem Frederik Hermans. Deel 16, Beschouwend werk (Mandarijnen op zwavelzuur en Mandarijnen op Zwavelzuur. Supplement) en Deel 6, Romans (Een heilige van de horlogerie, Au pair, Madelon in de mist van het schimmenrijk en Ruisend gruis). (more…)

‘Willem Frederik Hermans – Expeditie Nooit meer slapen’ in Literatuurmuseum.nl
4 februari 2016

Vanaf 11 februari is Beyond Sleep, de verfilming van Nooit meer slapen, te zien in de Nederlandse bioscopen. Daarmee gaat opnieuw alle aandacht uit naar Hermans’ klassieke roman, die in 1966 – inmiddels 50 jaar geleden – verscheen. En er is nog meer moois te melden. Literatuurmuseum.nl, een nieuw onlineplatform over de Nederlandse literatuur, toont vanaf vandaag met ‘Willem Frederik Hermans – Expeditie Nooit meer slapen in tekst en beeld de boeiende ontstaansgeschiedenis van Nooit meer slapen. (more…)

‘Nooit had een boek zoveel tegenslag te verduren als Mandarijnen op Zwavelzuur! Het komt! Maar later dan de drukker had gehoopt’
23 september 2015

Op 4 februari 1964 schrijft Willem Frederik Hermans aan Henk Hofland: ‘De aanmaak van het Mandarijnenboek vordert met de snelheid van een progressieve paralyse.’ Later die maand zou eindelijk het langverwachte en door velen gevreesde Mandarijnen op zwavelzuur verschijnen, negen jaar later dan aanvankelijk de bedoeling was. (more…)

Een ‘met zorg geschreven boek’? Over De mislukkingskunstenaar van Willem Otterspeer
13 maart 2014

In november 2013, vlak voor het verschijnen van zijn Hermans-biografie De mislukkingskunstenaar, noemde Willem Otterspeer de bezorgers van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans ‘schapen’ die aan ‘schoolfrikkerij’ doen. We hadden, geciteerd in een opiniestuk van Max Pam in de Volkskrant van 20 november 2013, onze gereserveerdheid ten opzichte van de biografie geuit, die we onder andere ‘voor latere generaties onbruikbaar’ noemden. Daar hadden we onze redenen voor. We hadden (op verzoek van uitgeverij De Bezige Bij) het manuscript gelezen, daarin veel ongerechtigheden geconstateerd, een grote hoeveelheid opmerkingen gemaakt en ten slotte geconstateerd dat het eindproduct te wensen overliet. (more…)

‘Het wordt een geweldig boek, Mandarijnen op zwavelzuur
26 februari 2014

‘In Vrij Nederland’, zo schreef Willem Frederik Hermans in 1946 in een brief aan Charles Timmer, ‘worden door mij iedere week enige litteratoren onthoofd’. Het was een vroege manifestatie van de Hermans zoals hij bij velen bekend staat: de genadeloze criticus. In deel 16 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans worden die publicaties bijeengebracht en uitvoerig toegelicht die hij onder de titel Mandarijnen op zwavelzuur precies 50 jaar geleden aan zijn Nederlandse literaire collega’s wijdde. (more…)

Hermans en Couperus
20 november 2013

Op 18 oktober 2013 werd de jongste aflevering van De Parelduiker gepresenteerd in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. (more…)

Cumulatief register
11 augustus 2013

Vanaf nu is op deze website het cumulatief register bij de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans te raadplegen. (more…)

1473 klokken en 160 schrijfmachines. Hermans in het nieuws
17 juni 2013

Willem Frederik Hermans is in het nieuws. Dat wil zeggen: de verweesde 160 schrijfmachines van de in 1995 overleden schrijver. Hermans was een verwoed verzamelaar van deze machines, die hij tot in Istanbul kocht. Na zijn dood in 1995 ging de collectie naar het museum Scryption in Tilburg, waar frater Ferrerius van den Berg zich erover ontfermde. (more…)

De halve Hermans
31 mei 2013

Het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis viert feest dezer dagen: het langlopende project Volledige Werken van Willem Frederik Hermans is halverwege. Eind mei verscheen het twaalfde boek in de reeks, en wel deel 5, met daarin de befaamde en beruchte universiteitsromans Onder professoren (1975) en Uit talloos veel miljoenen (1981). (more…)

Met Boon in de bus (en op bezoek bij Hermans)
29 november 2012

In het najaar van 2012 gaan deBuren in Brussel en het L.P. Booncentrum van de Universiteit Antwerpen op reis door Vlaanderen en Nederland, ter navolging van een tocht die Louis Paul Boon (samen met een tiental Belgische journalisten) in november 1945 maakte door herrijzend Nederland. (more…)

‘De onbetrouwbare verteller: Hermans en verder’ in Spui 25
16 november 2012

Hermans’ Osewoudt uit De donkere kamer van Damocles is misschien wel de beroemdste onbetrouwbare verteller die de Nederlandse literatuur rijk is. Maar wat maakt hem nu zo onbetrouwbaar? Waarom vinden lezers dat eigenlijk zo aantrekkelijk? Is niet elke literaire verteller onbetrouwbaar? En: hoe onbetrouwbaar is een onbetrouwbare verteller nog als de lezer wéét dat hij hem niet moet vertrouwen? (more…)

Nederland leest De donkere kamer van Damokles
1 november 2012

Sinds 2006 organiseert de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) elk najaar een Nederland Leest-campagne. Telkens staat een ander boek centraal. Leden van openbare bibliotheken krijgen tijdens de actiemaand een exemplaar van het actieboek cadeau en er worden allerlei activiteiten ontplooid die tot discussie over het boek moeten leiden. (more…)

Game jam rond Willem Frederik Hermans
23 maart 2012

Op 22 maart 2012 vond op het Huygens ING een game jam plaats. Het doel van de dag was het creatief en open nadenken over de vraag hoe in de huidige en de komende tijd de betekenis van Hermans en zijn werk aantrekkelijk én wetenschappelijk verantwoord duidelijk kan worden gemaakt, zeker aan jongere generaties. (more…)

Deel 9 van Hermans’ Volledige Werken gepresenteerd
28 oktober 2011

Op donderdag 27 oktober 2011 vond ten huize van De Bezige Bij in Amsterdam de presentatie plaats van een groot aantal nieuwe poëzie-uitgaven uit het fonds van de uitgeverij. Een van die nieuw publicaties is Deel 9 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, bezorgd door het Huygens ING. (more…)

Deel 14 Volledige Werken Hermans gepresenteerd in Koninklijke Bibliotheek
18 juni 2011

Op vrijdag 17 juni 2011 vond in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag de presentatie plaats van Deel 14 van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans en Een onmiskenbare verwantschap. Brieven 1944-1965, de briefwisseling van Hermans met F. Bordewijk. (more…)

Publieksavond rondom Deel 3 Volledige Werken in Openbare Bibliotheek Amsterdam
16 september 2010

Tijdens een feestelijke presentatie in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam op 15 september 2010 werd stilgestaan bij het verschijnen van Deel 3 van Willem Frederik Hermans’ Volledige Werken.  Dit deel bundelt zijn meest vermaarde romans De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966).  (more…)